De man in Antwerpen
Het is weer zoals altijd. Zoals elke keer dat ik hier ben. Bij het uit de trein stappen voel ik het al opkomen. Of juist verdwijnen. Vervangen worden. Het groeit terwijl ik vanaf het ondergrondse perron de roltrappen naar boven neem.
Ik bedenk dat Antwerpen Centraal Station eigenlijk een spoorwegkathedraal is. Het is deels gebouwd van natuursteen dat in blokken is uitgehouwen. Je kunt geringschattend zeggen dat het station een samenraapsel, een ratjetoe, is van allerlei elementen. Dat vind ik onzin. De architect noemde het ‘barok-middeleeuws eclecticisme’.
Als ik het station uitkom en op De Keyserlei kijk, is, zoals steeds, elke depressieve gedachte verdwenen. Ik sla De Keyserlei in, steek over naar de Teniersplaats en stap de Meir op. Menig winkelstraat stuit mij tegen de borst, stemt mij zelfs somber. Ik ben niet bestand tegen de oppervlakkige nutteloosheid van hetgeen aangeboden wordt en de graagte waarmee het winkelpubliek het koopt. De Meir maakt me echter altijd vrolijk door de positieve sfeer die er hangt en de grandeur van menig gebouw daar.
Op de Groenplaats sta ik stil. Ik draai een shaggie en rook dat op mijn doooie gemak op. Achter mij staat een man. Niet zomaar een man. Hij is niet modern gekleed. Half om zijn schouder een cape, bij zijn voeten ligt een grote hoed. Voor de huidige tijd is die hoed flamboyant.
Het is druk op het plein. Oude mensen, jonge mensen, met of zonder rolkoffer. Veel studenten ook, schat ik. Aan een kant van de Groenplaats is de Karel de Grote Hogeschool. Wandelaars, fietsers en ook de elektrische step in hier doorgedrongen.
Vlak voor mijn voeten loopt een duif. Als ik een stap in zijn richting zet, schrikt de duif niet. De terrassen zitten vol. Een vrouw zit in haar eentje aan een terrastafeltje. Haar houding en uitstraling die van iemand die zojuist slachtoffer van een ernstige misdaad is geworden en daar woedend over is. Ik vraag me af wat er voor verschrikkelijks gebeurd is. Dat wordt duidelijk als er een ober aan komt die een kop koffie op haar tafeltje zet. ‘Eindelijk’, zegt de vrouw tegen de ober, ‘ik wacht daar al vijf minuten op.’
Ik draai me om en kijk rond. Het Hilton Hotel overheerst dit deel van de Groenplaats ietwat. Maar nu ik haast oog in oog sta met de man met de flamboyante hoed, valt gelijk de Onze-Lieve-Vrouwe Kathedraal op. Het Hilton stelt niks voor, dat kan nog niet eens in de schaduw staan van de Kathedraal, waar ook werk van de man hangt.
Vanuit een zijstraat klinkt het geluid van een motor die onnodig veel lawaai maakt. Achter het standbeeld van de man staat een toeristentreintje. Twee wagonnetjes lang, het heeft rubberbanden. ‘Sightseeing’ staat achterop.
Ik kom in beweging en loop richting de Onze-Lieve-Vrouwe Kathedraal. Erbinnen ken ik de weg. Ik loop gelijk door naar het beeld van Maria. Daar steek ik een kaarsje op voor mijn vrouw, die het zwaar heeft, omdat ze met mij getrouwd is.
Na even in gedachten te zijn geweest, begeef ik me naar het drieluik ‘De Kruisafneming’ dat de man geschilderd heeft. Peter Paul Rubens is zijn naam.
Een verslag van stedentrips in Nederland. Soms gaat het over de stad in kwestie.

