Ik ben geen monster. Ik ben een teek
Ik geef toe: mijn imago is bijzonder slecht. Ik ben klein, weinig charismatisch en heb, net als een spin, acht poten. Ik bijt me vast in de vacht van je kat of in je huid en ik drink bloed. Je vindt me hierdoor misschien weinig sympathiek en ik respecteer je mening. Toch wil ik graag mijn kant van het verhaal vertellen. Ik ben namelijk geen monster, maar een levend individu dat zich wil voortplanten. Zoals alle andere dieren.
Een spin in een insectenlichaam?
Uit een van de duizenden eitjes die mijn moeder heeft gelegd, werd ik geboren. Veel broertjes en zusjes dus. Al moet je je daar niet te veel bij voorstellen: familiebanden betekenen voor mij niet zoveel. Sowieso had ik een moeilijke jeugd. Zoals bij mijn soort gebruikelijk is, overleed mijn moeder kort na het leggen van haar eitjes. Ook mijn vader heb ik nooit gekend. Na mijn geboorte kostte het me wat tijd om te wennen aan mijn identiteit. Als spinachtige hoor je acht poten te hebben, maar ik begon met zes. Was ik wel normaal? Was ik een spin in een insectenlichaam? Veel tijd om daarover na te denken had ik niet, want eerst moest er gegeten worden. Bloed uiteraard, want iets anders lust ik niet.
Wachten op een muis
Ik heb een geduldige persoonlijkheid; wachten is mijn specialiteit. Veel mensen denken dat ik jullie actief belaag of vanuit bomen naar beneden spring, maar dit is een feitenvrije weergave van de werkelijkheid: ik klim hooguit enkele tientallen centimeters omhoog naar mijn uitkijkpost op een grasspriet of blad. Daar strek ik mijn voorpoten uit en haak ik aan als er een dier langskomt: bijvoorbeeld een muis, lijster, hond, ree of mens. Met wat geluk vond ik een muis. Of beter gezegd: de muis vond mij. Na een voortreffelijk bloedmaal liet ik me vallen en zocht ik een beschutte, vochtige plek tussen de bladeren op de grond. Na enige tijd vervelde ik tot nimf. Tot mijn opluchting had ik toen ineens acht poten. Eindelijk zag ik eruit zoals het hoorde.
Op zoek naar een partner
Als nimf begint het wachten op een gastheer opnieuw. Na een nieuwe bloedmaaltijd vervel ik nog een keer en vanaf dan ben ik een volwassen vrouwtjesteek. Dan moet ik – alweer en voor de laatste keer – op zoek naar bloed. Dit keer niet om te vervellen, maar om eitjes te kunnen leggen. Als volwassen teek beland ik op een groter dier, zoals een ree of schaap. Handig, want daar is de kans groter dat er ook volwassen mannetjes rondlopen. Daarna volgt een romantische ontmoeting met een man. Zien kunnen we elkaar niet want mijn soort heeft geen ogen, maar dat heeft de natuur mooi opgelost met chemische signalen. Ik drink me nog één keer goed vol, laat me vallen, leg een belachelijk groot aantal eitjes en sterf. Ik geef toe: bij jullie is de overgang van romantiek naar geboorte naar dood vaak iets minder abrupt.
Geen tekenparadijs
Even iets over mijn en jullie leefomgeving. Jullie leven vooral in steden en dorpen en hebben daar lange tijd je best gedaan om plekken te maken waar ik weinig te zoeken heb: steen, asfalt, onderhoudsvrije tuinen, hitte en droogte. Niet ideaal voor mij, maar eerlijk gezegd ook niet voor jullie. Inmiddels halen jullie tegels weg, planten jullie bomen en mogen bermen weer bloeien. Dat is goed nieuws voor verkoeling en biodiversiteit. En soms dus ook voor mij.
Vergroening betekent niet dat de hele stad meteen een tekenparadijs wordt. Over mijn leefomgeving ben ik kieskeuriger dan je zou denken: ik ben een klein prinsesje met acht poten. Kale, zonnige plekken vermijd ik liever. Wordt mijn uitkijkpost te warm of te droog, dan klim ik terug naar beneden en verstop ik me. Omdat ik zo klein ben, kan ik niet ver lopen; kom ik op een ongeschikte plek terecht, dan is mijn carrière als parasiet meestal van korte duur. Pas als er geschikte vegetatie is, voldoende vocht, schaduw én gastheren zoals muizen, vogels of grotere zoogdieren, wordt een plek interessant voor mij. Op een strak gemaaid grasveld heb ik bijvoorbeeld weinig te zoeken.
Biodiversiteit is niet altijd aaibaar
Het is misschien ongemakkelijk, maar biodiversiteit bestaat niet alleen uit bijen, bloemen, vogels en egels. Biodiversiteit bestaat ook uit soorten die prikken, bijten, kruipen of je balkon onderpoepen. Ik ben geen mascotte van de groene stad, dat begrijp ik zelf ook wel, maar ik ben wel onderdeel van het ecosysteem. Niet het soort biodiversiteit waar mensen spontaan blij van worden, maar wel biodiversiteit.
De vraag is dus niet of jullie moeten stoppen met vergroenen omdat ik besta. Integendeel: jullie steden hebben meer groen nodig. Geniet vooral van parken, tuinen, bossen en bloemrijke bermen. De grote vraag is vooral hoe je dat groen slim ontwerpt en beheert. Waar lopen paden? Waar spelen kinderen? Waar laat je bladeren liggen? Waar maai je wel en waar juist minder? En hoe vertel je bewoners dat natuur in de stad geweldig is, maar dat je even op tekenbeten moet controleren als je in het groen bent geweest?
Misschien ben ik nog steeds niet je lievelingsdier, maar ik ben geen monster. Ik ben een teek.

